Het menu.
Aan boord van zeeschepen staat het menu vast. Er werd en er wordt, nog steeds, totaal geen rekening gehouden met de
plaats waar men zich op de Wereld bevindt. Of de opbouw nu vrij gemaakt moet worden van ijs, omdat het schip dreigt te kapsijzen,
of dat het pek tussen de naden van het houten dek door de hitte overboord loopt, het menu staat vast.
Mijn vrouw is van mening dat gedurende de zomermaanden geen hutspot, zuurkool, of boerenkool gegeten kan worden, omdat het winterkost is.
Aan boord van een schip wordt in de tropen, bij temperaturen die hier ongekend zijn, zonder blikken of blozen bruinebonen, kapucijners
en andere zware gerechten, wat wij winterkost plegen te noemen, op tafel gezet. Daarentegen wordt bij extreem koud weer,
boven de Poolcirkel rustig het beroemde slaatje, van het door de hele week overgebleven voedsel, geserveerd.
Het koude slaatje moest, op grotere schepen door de bakkiesjongen ook nog over dek naar de messroom worden gebracht.
Half bevroren komt het daarna op tafel te staan. Gelukkig wordt het daar, door de omgeving temperatuur, een beetje opgewarmd.
Het gevaar dat je tanden breken, door de kou van gerecht, bleef echter aanwezig. Bij dit alles kwam de kwaliteit van de kok en hofmeester.
Er waren koks die van niets iets konden maken en ook hier was het omgekeerde mogelijk.
Het is begrijpelijk dat gerechten aan boord namen hadden, die in overeenstemming waren met uiterlijk of smaak van het gerecht,
andijvie werd b v grafgroenten genoemd, omdat het volgens mensen die het weten konden, overal groeiden, witlof was poppensnot,
postelein spoorbaangras en macaroni vlampijpen, gebakken bloedworst met een schijf appel had een naam die ik maar niet vermeld,
de naam is te schunnig. De meeste scheepskoks op vrachtschepen waren niet van het allerbeste soort, ze werden door de rest van de
bemanning, als vretenverziekers omschreven.
De
hofmeesters, bijnaam hofjood, die ingrediënten aan de kok moest vestrekken, was
in de regel zuiniger dan een conservatieve Schotse vrek.
Door
deze omstandigheden is het logisch dat er, tussen de civiele dienst en de rest
van de bemanning, een gespannen vrede bestond.
Als
een slechte kok een beentje gelicht kon worden, werd dat prompt gedaan.
Op
het SS Bennekom was de kombuis aan de achterkant van de midscheeps
opbouw.
De
openingen van de kombuis waren, tegen diefstal, van tralies voorzien ’s nachts
werden er bovendien luiken voor gesloten en ging de deur op slot.
Het
fornuis was oliestook, zodat de matrozen het fornuis ’s nachts niet brandend
behoefden te houden.
Op
een Zaterdag had de kok bodems voor taarten gebakken,
Zondags zou er bij de koffie voor iedereen een punt taart zijn.
Daartoe
moest nog mokka worden gemaakt, dat werd gemaakt van koffie, suiker en
margarine. De kok begon ’s morgens om een uur of zes
en
was ‘s middags een paar uur vrij, meestal gingen ze dan een tukje doen. Dat
gebeurde ook op deze Zaterdag de cakebodems stonden,
naar mening van de kok, buiten bereik van enig onheil, veilig achter de
tralies af te koelen.
Hij
had echter buiten het improvisatievermogen van de matrozen gerekend. In het
voorbij gaan waren de heerlijke geuren van het gebak opgesnoven
en
liep het water in de mond van nieuwsgierige, opeens met de kok zeer begane
opvarenden.
Toen
de kok zijn hielen gelicht had voor zijn middagnopje,
werd door de tralies naar de schepping van de kok gekeken en geopperd
dat
zonder opgespoten mokka het gebak ook moest smaken. Er werd een plankje van een
sinaasappel kistje afgebroken waarmee tussen de tralies
door naar de bakplaat werd gehengeld. Een spijkertje in het plankje werd
achter de rand gehaakt en de bakplaat werd onder de tralies geschoven.
Daarna
werd het plankje onder de dikste gebaksbodem geschoven opgelicht voorzichtig
gekanteld en als een wiel tussen de tralies naar buiten gerold.
Even
de bakplaat terug schuiven en klaar was kees.
Toen
de kok, na zijn tukje, in de kombuis terug kwam was het of we op een mijn
liepen, het hele schip trilde ervan.
Het
allerergste vond hij dat de dikste en mooiste bodem verdwenen was, hij tierde
dat die voor de midscheeps (officieren) was bestemd
en
dat het zijn inziens toch onmogelijk was, om zo’n groot ding weg te krijgen.
Om
eerlijk te zijn moet ik zeggen, dat de geur niet overeen was met de smaak van
het gebak, door het ontbreken van de mokka was het
vrijwel smaakloos en hadden we eerlijk gezegd een beetje spijt. Toen de kok
bleef doorgaan met tieren dat het de mooiste bodem was,
bestemd was voor de midscheeps, kregen we toch, terwijl we de kruimels van de
tafel veegden, een voldaan gevoel.
De
officieren moesten het nu ook doen met een aanmerkelijk platter stuk taart.
Dick.