Het kanon. Een verhaal van Dirk Rietel
Tegen het einde van onze opleiding tot kanonnier moesten we
naar zee.
Er moest geschoten worden, vanaf een bewegend schip, op een
doel dat in beweging was.
Het was niet zo dat wij ons verheugden op het zeereisje, of
er slapenloze nachten van hadden,
daarvoor waren wij te vaak op zee geweest. Toch was er een
zekere spanning.
De eerste reis werd een grandioze mislukking er was niet genoeg
zicht om met een kanon te schieten.
Het kanon was weliswaar niet het zwaarste in het assortiment
van schietwapens,
maar een klapperpistool was het ook niet. Voor ingewijden, het
was een kaliber 7,6 cm.
Na een uur of drie werd de terug reis aanvaart en als een vergeefse
reis omschreven.
Om onderstaand verhaal goed te begrijpen moet men weten dat,
op een schip van de Koninklijke marine,
ongeveer van elk bewegend deel een logboek bestaat. Bijvoorbeeld
het ankerspil heeft een logboek,
evenals de kanonnen, de mijnenveeg apparatuur en alle op zichzelf
staand gereedschap aan boord.Ten overvloede,
wordt het bij geschreven in het navigatie logboek, in het stuurhuis.
Ik wil hiermee aantonen dat op een marine schip alles,
wat ooit aan boord heeft plaatsgevonden, is gedocumenteerd.
Onze tweede reis ging met de Queen Willemien,
een geschenk van Engeland of Canada aan onze marine gedurende
de oorlog.
Omdat er geschoten moest worden werd het kanon logboek geraadpleegd,
de laatste aantekeningen in dit document
dateerden uit Juni 1944, de landing in Normandië. Er werd geopperd
dat er later vast nog wel mee geschoten moest zijn.
De Marine ondertussen zo’n beetje kennende, nam ik als zeker
aan, dat er dan aantekeningen van moesten zijn.
Zij waren er niet, zodat er veilig kon worden aangenomen, dat
in een periode van negen jaar, het kanon was onderhouden,
maar er was in al die tijd geen schot meer mee gelost. Het kanon
werd geladen en voor de veiligheid moest iedereen,
achter de opbouw de klap afwachten. Er werd een touw aan het
hand afvuurmechanisme vastgemaakt.
Toen iedereen op voldoende afstand en relatief veilig was,
werd het schot afgevuurd.
Na inspectie van het kanon was het resultaat bevredigend, de
remcilinder lekte wat, maar wie daarop lette was een kniesoor.
Uit nieuwsgierigheid had ik, toen het schot afging,stiekem
om een hoekje gekeken.
De experts konden de resultaten wel bevredigend noemen, maar
ik had het kanon een geweldige sprong zien maken.
Onder de kanonniers bevond zich een matroos die bij een vorige
oefening de terugslag, van het kanon (recuul),
tegen zijn kin had gekregen. Daarbij was zijn onderkaak keurig
rondom zijn bovenkaak geplaatst hij had geen kin meer
en kon alleen nog met een slangetje eten. Na maanden verpleging
in Overveen, het marine hospitaal, was hij als genezen ontslagen.
Ze hadden een mooi werk geleverd, hij leek weer op een homosapien.
Toch hadden we een beetje meelijden met hem, zijn kaak sloot
niet goed meer en hij kon moeilijk over zijn bakboord
schouder te kijken. Ondanks alles moest hij de, destijds afgebroken,
schietoefening afmaken.
Uit angst had hij zich ergens aan boord verstopt en moest door
ons worden opgespoord.
Wij wisten waar hij verstopt zat, maar hebben gemeld dat hij
niet te vinden was, we hadden alle begrip voor zijn angst.
Dat het kanon niet optimaal was bewees zich gedurende het indrukwekkende
geknal.
Het kanon maakte de sprong werkelijk, bij elk schot. De schutters
één links, de ander rechts van het kanon gezeten,
moesten om te kunnen richten, in een rubberdop van het vizier
kijken. Na elk schot bedekte, onder slaken van pijnlijke kreten,
de één zijn rechter- de ander zijn linkeroog met hun hand. Ik
was één van de langste en de opstelling van het kanon was hoog,
daarom bleef ik lader. De kortere personen hadden de grootste
moeite om de granaten in het sluitstuk te krijgen.
Telkens weer moest ik de zware granaten op hoofd hoogte in het
sluitstuk duwen, een zwaar baantje.
Toen ik eindelijk aan de beurt was om te richten en een schot
te lossen was ik tot de conclusie was gekomen,
dat het raadzaam was, om bij het afgaan van het schot je hoofd
op te lichten.
De enigste narigheid was, dat je niet kon zien of er goed gericht
geschoten was.
Toen ik dan ook na het schot triomfantelijk riep, “gericht
afgekomen,” werd door de stukscommandant geroepen, “dat lieg je”.
Waar het projectiel terechtgekomen is weet geen mens, niemand
heeft de inslag gezien.
Het kan best het eerste Maanschot zijn geweest. Ondanks de misser
ben er nog steeds trots op,
dat ik de volgende dag de enigste was, die geen blauw oog had.
Bij de rest van de kanonniers kon je aan de blauwe ogen, precies
zien aan welke kant van het kanon zij hadden gezeten.
Dick