Aan
boord van schepen word altijd uitgekeken naar het moment dat de loods aan boord
komt.
Een
gedeelte of de hele reis is voltooid en kan afgesloten worden.
Het
omgekeerde gebeurt als de loods van boord gaat, dat is het begin van een nieuw
hoofdstuk
in
de geschiedenis van de scheepvaart. De routine van elke dag begint zodra de
extra wacht,
die
bij het loods ontschepen aanwezig is, word bedankt. Bij het van boord en aan
boord nemen
van
en loods worden altijd een aantal voorzieningen getroffen. Er moet een lange
lijn en een reddingboei
aanwezig
zijn en een mannetje om zijn koffertje of tas te dragen en de loods naar de
brug te brengen,
dit
geld omgekeerd als hij van boord gaat. Als de handeling met de loods voltooid
is, wordt de loodsladder
weer
ingehaald en opgeborgen. Bij grootte lege schepen is de loodsladder erg lang en
het is een hele klus
om
het lange ding met lange zijlatten weer binnen boord te krijgen, daar zijn
minstens twee man voor nodig.
Op
kleine schepen en coasters kan één man de klus wel klaren.
Op
de Amstelstroom kwam op een dag de matroos op de brug die de loods van boord
had geholpen en vroeg
aan
de stuurman “stuur als je iets verloren hebt en je weet waar het is, ben je het
dan kwijt”.
De
stuurman liep al een tijdje mee en wist dat er een addertje onder het gras zat,
hij trok een bedenkelijk gezicht
en
overwoog ondertussen wat er wel aan de hand kon zijn. Hij kon er niet opkomen
en antwoorden voorzichtig
” het ligt eraan of het daar gejat kan worden
of niet”. Waarop de matroos antwoorde, het is te zwaar om
zo
maar mee te nemen. De stuurman dacht dat het
voorwerp dan niet als verloren moest worden beschouwd.
De
matroos slaakte een zucht van verlichting en zei “dan zijn we gelukkig de
loodladder niet kwijt hij drijft
namelijk
vlak bij de boei waar de loods ontscheept is, daar kunnen we hem de volgende
reis zo konden oppikken”.
De
stuurman wist even niet wat te zeggen, liep naar buiten, om de omgeving en de
scheepvaart op te nemen,
een
peiling te maken en te bedenken wat hij hier nou mee aan moest. Onbewogen kwam
hij weer binnen en
zei
tegen de matroos ”Tot we de loodsladder weer kunnen oppikken, moet je de
reserve ladder maar uit het kabelgat
halen,
jij bent de uitgelezen persoon om dat even te doen.”
Een
loodsladder, is een zware touwladder, met dikke houten treden en lange latten
er aan, om het ronddraaien van
de
ladder als de loods er op stond tegen te gaan. De ladder werd normaal door
minstens twee man aan dek gehaald,
dan
was het nog een hele toer. De toegang naar het kabelgat, was op deze schepen,
een niet zo groot vierkant luik
met
daaronder een stalen ladder, daar tegenop moest de loodsladder aan dek getild
worden. Hij probeerde er
onderuit
te komen door er op te wijzen dat hij de roerganger moest aflossen. De stuurman
vond dat er geen uitstel
mogelijk
was, je wist nooit wat er kon gebeuren er moest een loodsladder aan dek zijn en
de roerganger wilde best
even
blijven staan, als het karwei eventueel iets langer duurde. Zeker een half uur
heeft het geduurd om de ladder
aan
dek te krijgen. De stuurman en de roerganger hebben de worsteling, met stijgend
genoegen gade geslagen.
De
stuurman omdat hij zo snel een oplossing had gevonden om niet belachelijk te
worden gemaakt, de roerganger
omdat
er geprobeerd was het karwei op hem af te schuiven. Hij had de extra tijd aan
het roer er best voor over.
Dick