KNSM reizen met ms-Daphnis van 17-06-1966 tot 20-12-1966. Belevenissen van de 3de wtk Piet van Oorschot. De potloden van de 2de stuurman. Na vertrek vanuit Amsterdam naar de West, met als één van de eerste bestemmingen Sint Maarten, werd na het passeren van het Kanaal getwijfeld aan de koelinstallatie van de onderste koelkamer in ruim 1 aan stuurboord. Na aanvankelijk redelijk op circa +7 graden Celsius te zijn gekomen, ging de temperatuur heel langzaam oplopen. Aangezien de koel/vriesmachines in het voorste dekhuis probleemloos draaiden en er ruim voldoende Freon aanwezig was, snapte niemand wat er aan de hand was. Al de overige koel en vrieskamers waren in korte tijd prachtig op de vereiste temperatuur gekomen. Inspectie in de betreffende kast was onmogelijk omdat ruim 1 tot tegen het luik tjokvol zat. Om de boel in de gaten te houden werd elke wacht de installatie in het voorste dekhuis gecontroleerd. Daarvoor waarschuwde ik de olieman van de wacht, zodat hij wist waar ik naar toe was en tevens werd de 2de stuurman, overdag, gebeld met dezelfde mededeling. Maar elk bezoek voor leverde hetzelfde beeld op, geen storing te zien of te vinden, maar wel een temperatuur die nog steeds omhoog bleef kruipen. Deze inspecties werden ook s’nachts, om een uur of 3, tijdens de Hondenwacht gedaan. Zoals al eerder vermeld werd de olieman ingelicht, maar de 2de stuurman werd, i.p.v. per telefoon, op de brug geïnformeerd. Dit gebeurde na een rondje stuurmachinekamer en dan via de dekken naar de brug. En zo ging dat ongeveer een week goed tot op een nacht de volgende situatie zich voordeed. Na de olieman van de wacht gemeld te hebben dat ik naar voren zou gaan, ben ik via de dekken naar de brug gegaan om de 2de stuurman te melden dat ik naar de koel-vriesinstallatie in het voorste dekhuis ging. Bij aankomst op de brugvleugel bleek de uitkijk (matroos van de wacht) waarschijnlijk naar achter onder om koffie te maken/halen voor de 2de . Ik keek om de hoek van de brug en de kaartenkamer en zat de 2de op de kruk voor de kaartentafel. Hij zat niet voorover gebogen, maar lag met zijn hoofd op zijn armen te pitten. Hij werd ook niet wakker, hoewel ik niet overdreven stil deed. Hij leek erg ver heen. Zonder hem wakker te maken heb ik toen alle potloden, die te vinden waren, meegenomen. Het bezoek aan de vrieskamer heb ik maar uigesteld tot na het wisselen van de wacht. Wel ben ik op het achterdek bij de stuurmachinekamer blijven wachten totdat de uitkijk met verse koffie weer naar de brug ging en de 2de wakker zou maken. Tegen de 2de machinist heb ik niets van het voorval gezegd, want ik vond dat het een zaak moest blijven tussen de 2de stuurman en mij. Na de wacht heb ik in mijn hut alle potloden met een elastiekje gebundeld. Het toeval wilde dat die ochtend bij het ontbijt alleen de 2de stuurman en ik aanwezig waren. Na goedemorgen en eet smakelijk gewenst te hebben, heb ik hem het bundeltje potloden gegeven. Hij begreep nu wat er gebeurd was de afgelopen nacht. Ik heb hem erop gewezen dat s’nachts de hele bemanning op één oor ligt en volledig vertrouwd op de bezetting op de brug en dat slapen tijdens de wacht hoogst onverantwoordelijk is. We spraken af dat dit voorval onder ons zou blijven en hij gaf te kennen dat het hem ontzettend speet, maar dat hij veel waardering had voor de manier waarop dit hem duidelijk was gemaakt. Gedurende de rest van de reis zijn we de beste vrienden geweest (zover een wtk bevriend kon zijn met een dekhengst) en was de 2de altijd klaar wakker als ik me kwam melden voor het rondje over dek. grt Piet van Oorschot