Paramaribo/Amsterdam met stukgoed en vrouwen
Ons schip ligt op vertrek uit Paramaribo. Het dek ligt vol met grote vierkante hard houten palen uit de houtwinning van Suriname en een stel containers. Een aardig voorval is, dat toevallig de bedrijfsleider van Bruynzeel Suriname ons schip bezoekt; voor de rederij dit is van groot belang.
Voor het bezoek van de hotemetoten heeft de staf zich na de middag in schoon wit gestoken. Tegen vieren verschijnen de gasten op het hoofddek; lopen de bakboord gang in, waar de staf de gasten verwelkomt. Onwillekeurig kijk ik op afstand naar de vips en nog eens. De hoofdvip, een grote man met een donkere bril, kijkt naar mij en roept hé keusje. Hij loopt naar mij toe, geeft een hand en zegt: ”ik moet even met de bazen praten; zie je zo”. We spreken af op het stuurboord sloependek en ik ga mij wassen en omkleden. Wij kennen elkaar uit de tijd van de zeevaartschool in Groningen. Hij volgt de opleiding voor Radiotelegrafist (Oneerbiedig: vonkenvanger) en ik zit op de scheepswerktuigkundige opleiding (fietsenmaker). Wij hebben elkaar leren kennen, omdat wij beide wegens gedrag tijdens de lesuren niet altijd overal even welkom zijn en dan in de gangen zwerven of, dat ik vanwege spijbelen werkstraf moet doen bij de amanuensis in het testlokaal bij de hal; dit laatste vind ik zelfs leuk. Tijdens de morse lessen, die in de gang plaatsvinden, kan Ruud het niet laten om met de Aldislamp korte schuttingwoorden te knipperen. Kilo Utrecht Tango is zijn favoriet. Ik schiet dan in de lach en de bootsman is boos. Hij heeft zijn opleiding niet afgemaakt. Nadat Ruud met de staf van mijn schip heeft gepraat, komt hij naar het sloependek; we gaan in de rieten stoelen zitten en hebben uitzicht op kleurrijke kade van Paramaribo en hij vertelt. Weet je nog wel, dat ik regelmatig de morse les van de bootsman heb verstoord? En dat ik daarvoor de ene schorsing na de andere, of strafwerk, heb gekregen? Nou, dat heeft mijn vader aan het denken gezet. Ik ben voortijdig van school afgehaald. Na een bosbouwopleiding ben ik begonnen bij Bruynzeel hout in Afrika en na veel ervaring te hebben opgedaan, heb ik deze baan in Suriname gekregen en het bevalt mij heel goed. Ik ben blij, dat mijn pa mij van die school heeft gehaald. Na nog wat persoonlijke wetenswaardigheden te hebben uitgewisseld is Ruud van boord gegaan en het schip naar zee vertrokken. Voor mij een leuk begin van de thuisreis.
In de delta van de Suriname rivier zien wij in het water het bruin uitwaaieren naar helder. Het schip heeft passagiers aan boord voor Nederland; 10 leuke jonge vrouwen en 1 man. Zij hebben als eindbestemming een ziekenhuis in Noord Holland, waar zij na opleiding gaan werken in de verpleging. De bemanning op het schip is vrij jong; wij zijn verheugd, dat de dames aan boord zijn. Wij lopen toevallig langs de salon om een praatje met ze te maken. Dit tot ongenoegen van de salonbediende, welke iedereen ernstig waarschuwt. We moeten bij de meisjes wegblijven. Eerst druipen wij af, maar de meisjes zoeken ons op; vooral de stuurmansleerling, een lange jongen met blond krullend haar, valt bijzonder in de smaak. We vrezen, dat we door omgang met de dames gedoe krijgen; we mochten voorheen wel dammen of schaken met passagiers uit Venezuela, maar dat waren mannen. Wij hebben het er op gewaagd; het is gewoon leuk en de kapitein heeft er geen moeite mee. Er gebeuren zomaar geen rare dingen. De blikken van salonbediende negeren we. De mannelijke aankomend verpleger (hij wel) krijgt verkering met een van de meisjes. Zich onzichtbaar wanende, staat het paartje in het donker op het voorschip te scharrelen, terwijl op de brug vijf man staan mee te genieten. Zelf vind ik dit een van de betere overtochten; de thuisreis lijkt zo veel korter. Bij de Azoren wordt door ons met genoegen uitgekeken naar het postbootje. Jammer, de mannelijke passagier heeft in Amsterdam voor deze foppartij een klacht ingediend. Helaas steekt er een stormdepressie de kop op. Het schip begint flink te bewegen en de passagiers worden zeeziek; uit is de pret. Zonder overdrijven; de windkracht loopt heel hoog op en de zeeën, die schuin in komen worden steeds hoger en raken ook de ramen van de hutten van de passagiers. Er storten zich honderden tonnen water op het schip; gelukkig lopen zij er ook weer af. In de gangen van de bebouwing op het hoofddek wordt het een natte boel. Het schip is afgeladen en ook nog deklast; dikke vierkante palen aan beide kanten en een aantal containers op het voorschip vlak achter de kop. Slapen is bijna onmogelijk, soms komt men los van de matras, dan weer wordt men er diep in gedrukt, of de kooi staat rechtop of de voeten zijn boven; instinctief voelt men, dat het hier op het water niet pluis is. Door het donderend geraas van de overkomende golven en het schudden van het schip lijkt het wel of de zee het schip wil slopen. Later ontdekken wij een grote scheur in een belangrijke steun aan de zijkant van het schip en de ontzette ankerspil.
Vroeg in de morgen komt de opdracht om alle ramen en patrijspoorten te blinderen. Zelfs op de ramen van de salon en de hutten van de passagiers worden gietijzeren deksels geschroefd. Het spookt op de oceaan en de palen aan bakboord beginnen te schuiven; zij rammen tegen de drempel en de waterdichte deur. Hiervoor gaat het schip bijdraaien. Eerst wordt iedereen geïnformeerd; er kunnen een paar extreme capriolen plaatsvinden. Ik ben eens bijna vermorzeld door een stapel teakhouten (de echte) dekstoelen. Na een aantal flinke kantelingen ligt het schip tegen de wind in en de machine geeft zoveel vermogen, dat we nauwelijks vaart maken en toch op koers blijven. Men zegt dan, dat de boot als een meeuwtje op het water ligt. Het “als een meeuwtje” betekent niet, dat men droge voeten houdt. De oceaan is hier vier kilometer diep en de golven zijn zo hoog geworden, dat het schip als het ware tussen twee bergen in een dal valt en dan weer omhoog moet klimmen en maar door. Wanneer men dit ziet, voelt men zich heel klein. De bootsman en de matrozen gaan met enige doodsverachting het dek op; zij gaan de losgeslagen deklast fixeren; soms staan zij tot hun middel in het water. Wanneer de deklast onder controle is en de waterdichte deur weer is afgesloten, besluit de kapitein het topje van de storm, waarin wij nu zitten, op deze koers en snelheid te laten overwaaien. Beter later thuis, dan schade maken. De hierboven omschreven scheepsbewegingen zijn zeer vermoeiend; de bemanning doet zijn werk; juist nu hebben zij en de passagiers een goede verzorging nodig. Daarom wil ik graag een compliment maken aan de civiele dienst; zij doen ook hun werk bij slecht weer. Stelt u zich maar voor; vlees braden, of de soeppan, die niet eens halfvol kan; er is niets cardanisch opgehangen, er zijn slechts slingerlatten. De kombuisvloer wordt glad. Men kan bijna niet lopen zonder zich ergens vast te houden. Het eten komt op tafel! Wanneer de storm wat is geluwd, gaan wij weer op koers en de machine gaat op volle kracht. Hierbij zeg ik dank aan de uitvinder van de regulateur, ene mijnheer Woodward; het apparaat vermindert telkens het motorvermogen, wanneer bij een zeer hoge golf de schroef als een grote slagroomklopper boven water uitkomt. Anders dan gaat de boel stuk. Gelukkig heeft een storm geen eeuwig leven en al varende in het Engels kanaal krijgen wij gelegenheid om het schip te klaren. De gangen worden gedweild, woonhutten worden weer op orde gebracht en na twee dagen zijn we het weer vergeten. Wat rest is schade en veel roestige plekken op het schip. De schade wordt op een reparatielijst geplaatst. Al varende langs de Belgische kust, spoeden wij ons naar de eindbestemming en het einde van deze reis. Eduard. ♫